Viscositeit brij bepaalt economisch resultaat
Een grondstof kan een hoog drogestofgehalte hebben en toch een lage viscositeit. Het is dan minder stroperig. Andersom kan het ook: een laag drogestofgehalte met een hoge viscositeit. Heeft het complete brijvoermengsel een lage viscositeit én een hoog drogestofgehalte, dan daalt de wateropname van de varkens en daarmee de mestproductie. De varkens vreten meer en groeien harder. Zelfs bij een hogere voerprijs kan het saldo hierdoor hoger uitvallen.
De in groten getale aanwezige varkenshouders kregen enkele weken terug tijdens de studiemiddag Slimmer voeren en meer geld verdienen met brij van De Heus Voeders duidelijk te horen wat de verschillen zijn tussen drogestofgehalte en viscositeit. Daarnaast was er aandacht voor de effecten van de bijbehorende voerprijs.
De verschillen tussen viscositeit en drogestofgehalte, en de invloed hiervan op de economie van brijvoeren, werden uit de doeken gedaan door brijvoernutritionist Twan Leijten. ‘Een grondstof als aardappelstoomschillen heeft bijvoorbeeld een laag drogestofgehalte, maar een hoge viscositeit. Broodmelange heeft juist een hoog drogstofgehalte met een lage viscositeit. Uiteindelijk gaat het echter niet om de viscositeit per grondstof, maar om die van het mengsel van grondstoffen dat wordt gebruikt.’
De Heus kan de viscositeit van grondstoffen en brijmengsels in het laboratorium bepalen en drukt dat uit in de Flow Drive Index (FDI). Leijten liet twee zeer uiteenlopende brijmengsels zien. Beide mengsels hadden een drogestofgehalte van 28 procent, maar slechts één van de twee heeft een hoge viscositeit en FDI. De roerstaaf blijft hierin rechtop staan en het glas moet hij bijna op zijn kop houden voordat het eruit komt. Dit mengsel is niet verpompbaar.
Het andere praktijkmengsel met 28 procent droge stof heeft wel een lage viscositeit, ofwel een gunstige FDI. Dit mengsel stroomt wel uit het glas en is prima verpompbaar. ‘Dit zijn extremen, zegt Leijten. ‘Maar ze komen wel degelijk voor in de praktijk.’
Meer water, meer mest
Het drogestofgehalte heeft flink wat impact op het watergehalte van het rantsoen. Leijten heeft hiertoe de totale liters brijopname per dierplaats per jaar berekend. Dit deed hij op basis van de (Agrovision) voeropname van 2,35 kilo per dier per dag. In het rantsoen met 21 procent droge stof zit op jaarbasis 900 liter water meer dan bij 28 procent droge stof. Dat betekent ook 900 liter meer mest. Op een bedrijf met vijfduizend vleesvarkens resulteert dit bij 30 euro per kuub in 135.000 euro extra mestafvoerkosten. Leijten: ‘Omgerekend betekent het dat dit rantsoen 3,15 euro per 100 kilo meer mag kosten.’
Ook dit zijn extremen. Daarom heeft de nutritionist een tabel ontwikkeld waarin is te zien wat een verandering in drogestofgehalte van het brijvoer doet bij een bepaalde FDI. Leijten: ‘Stel dat het drogestofgehalte in het brijvoer daalt van 25 procent naar 23 procent door de toevoeging van aardappelstoomschillen, dan kost dit 92 cent extra aan mestafzetkosten per 100 kilo. Dus die schillen moeten zo goedkoop zijn dat ze de kostprijs van het totale rantsoen minimaal met 92 cent per 100 kilo verlagen.’
Lees ook: Variatie in droge stof juist vangen stuwt prestaties en rendement
Voordat een varkenshouder zijn rantsoen gaat aanpassen, is het belangrijk om te bepalen wat de gewenste FDI op het bedrijf is. Dat is onder andere afhankelijk van het type pomp, de diameter en lengte van de leidingen, en de lengte van de trog. Bij een korte trog kan met een hogere FDI worden gewerkt dan bij een lange trog. Zeker bij zeugen aan een lange trog moet het voer snel uitstromen om ervoor te zorgen dat iedere zeug haar portie krijgt.
Bovenop de mestkosten heeft het drogestofgehalte van het brijvoer ook invloed op de voeropname door de varkens en daarmee op groei en uniformiteit. Vooral jonge vleesvarkens hebben nogal eens moeite met de opname van brijvoer met een laag drogestofgehalte.
Rondes inleveren
Het terugzetten van de voergift betekent dat de groei zal dalen, de voerconversie toeneemt en de uniformiteit van de koppel meestal vermindert. Duurt het door de lagere groei en minder goede uniformiteit een week langer voordat de afdeling leeg is, dan levert de varkenshouder op jaarbasis 0,21 rondes in. Dat kost 8,40 euro per varkensplaats en bij vijfduizend vleesvarkens is dat 42.000 euro.
Verder heeft een varken meer onderhoudsvoer nodig wanneer het dier veel natte brij moet eten. Brijvoer is het hele jaar door gemiddeld zo’n 12 graden Celsius in de trog. Het varken moet dit opwarmen naar 38 graden. Dat kost 11,14 energiewaarde (EW) per jaar en verhoogt de onderhoudsbehoefte 9,5 tot 10 kilo per varkensplaats. Dat zorgt nog eens voor extra kosten van circa 13.000 euro bij vijfduizend vleesvarkens.
‘Het is dus gewenst dat een varkenshouder de FDI optimaliseert voor zijn bedrijfssituatie’, besluit Leijten. ‘En dat hij vervolgens stuurt op een zo hoog mogelijk drogestofgehalte in het rantsoen, rekening houdend met de grondstoffen en bijproducten die hij kan inkopen.’
Smaak speelt ook een rol
Bij het samenstellen van het rantsoen zijn de Flow Drive Index (FDI), het drogestofgehalte, de smaak en het zoutgehalte van belang. ‘In het Bestmix-programma houden we daar rekening mee’, weet brijvoernutritionist Rob van de Veerdonk.
‘Voor smaak maakt De Heus gebruik van de AE-index, een zelf ontwikkelde parameter voor zuurtegraad in het rantsoen. Deze index houdt rekening met de samenstelling van de zuren in de rantsoenen en bijproducten. Broodmix vinden varkens lekker, mits met voldoende omloopsnelheid gevoerd. Als het product te oud wordt, kan het te ver doorzuren. Hierdoor wordt de smaak negatief beïnvloed en de AE-waarde te hoog.’
Ook de structuur is volgens Van de Veerdonk een aandachtspunt in het brijvoerrantsoen. ‘De meeste bijproducten bevatten geen of erg weinig structuur. Door de inzet van de walsenstoel kunnen we de structuur van het aanvullende voer prima afstemmen op de behoefte van de varkens en gezondheidsproblemen voorkomen.’
Bekijk meer over:
Lees ook
Meest gelezen
Blogs
Bedrijf in Beeld
Partners
Stelling
Nieuws van NieuweOogst.nl


