‘Waardevolle informatie zit onder de huid van de zeug’
Regelmatig gaat Naomi ten Tije van ABZ Diervoeding met een GMI-apparaat op pad. Via echografie brengt zij de spier- en spekdikte bij zeugen en gelten in diverse productiestadia in beeld en blijft die dieren volgen. ‘Geregeld tref je situaties aan waar de zeugen op het oog goed in conditie zijn, maar het niet soepel draait. Door onderhuids te kijken en aan de hand van de meetgegevens alles omtrent voer juist te zetten, zie je snel een positieve wending.’
Naomi ten Tije is zeven jaar geleden gestart met de Gen Massa Index (GMI)-techniek om de spier- en spekdikte bij zeugen en gelten te meten. Inmiddels is het vertalen van de metingen in de verschillende productiestadia tot en met de vijfde pariteit van zeugen gesneden koek voor de specialist varkenshouderij van ABZ Diervoeding.
‘Een collega heeft ook een GMI-apparaat, om in het zuiden van Nederland zeugen door te meten’, geeft Ten Tije aan. ‘We wisselen intensief kennis en ervaringen met elkaar uit. Hierdoor pikken we trends vroegtijdig op. Dit helpt onder meer onze nutritionisten bij het samenstellen van de zeugenvoeders.’
Met GMI-metingen houden jullie de vinger aan de pols?
‘Ja. De genetica verandert vrij snel en daarop moeten varkensvoeders en de voerstrategie naadloos aansluiten. Zeugen wil je zo efficiënt mogelijk voeren, zodat ze nutriënten optimaal benutten voor conditieopbouw en de productie van biggen en melk. Meten is weten om de puntjes op de i te kunnen zetten. Dieren wegen is goed, maar als ABZ Diervoeding hebben we er tien jaar geleden al voor gekozen om GMI toe te passen. Zeker voor onze rol in voeradvies geeft de ontwikkeling van de spier- en spekdiktes meer en betere informatie.’
Welke trends zijn ermee opgepikt?
‘Tien jaar geleden hadden we in Nederland overwegend zeugen met een dikke speklaag. Daarna zijn de dieren hoogproductiever en meer bespierd geworden; zeugen die meer moeite hadden om voldoende energiereserves op te bouwen. De huidige trend is dat zeugengenetica juist weer makkelijker spek aanzet. Met de spier- en spekdiktemetingen pikken we dat soort trends sneller op. Met voeradvies of het wijzigen van de voersamenstelling spelen we als diervoederproducent effectief in op veranderingen.’
Hoe pak je een GMI-meting aan?
‘Als ik ergens voor het eerst kom, selecteer ik een aantal gelten en zeugen tot pariteit vijf. Meten doen we elke vier weken bij meerdere opvolgende groepen: rond 85 dagen dracht, in de kraamstal vlak voor werpen, rond het spenen en vier weken later in de herstelfase. Ook meten we de spier- en spekdikte bij de gelten in de periode rond het insemineren. Zo krijg je inzicht in hoe het zit met de ontwikkeling van de spier- en speklaag in een cyclus op een bedrijf. De resultaten geven we weer in grafieken en bespreken we met de zeugenhouder.’
Geef eens een voorbeeld?
‘Bij een acquisitieadres hebben we inzichtelijk gemaakt dat zeugen in de dracht een dikke speklaag opbouwden. Maar na 85 dagen verloren ze veel meer dan 2 millimeter spier om hun toom biggen te laten groeien. Een big neemt in die vier weken gemiddeld een kilo aan gewicht toe. Te veel spierafbraak is een teken dat de energie-eiwit-balans in het gebruikte drachtvoer waarschijnlijk niet goed is.’
Wat zie je dan in de praktijk?
‘In dit voorbeeld lukte het maar niet om boven de dertig gespeende biggen per zeug per jaar te komen. De varkenshouder is een vakman met een goed management en zijn zeugen waren op het oog prima in conditie. Toch speelde er iets waardoor ze aan het einde van de dracht futloos werden.’
‘In de kraamstal werden voldoende biggen geboren. Wel was de spreiding in geboortegewicht vrij groot en verliep het werpproces traag. Mijn vermoeden dat de zeugen richting het einde van de dracht te veel spier afbraken en het ureumgehalte in hun bloed te hoog opliep, werd met GMI-techniek feilloos in beeld gebracht.’
Wat was de vervolgactie?
‘Wij mochten het voer voor de zeugen leveren. Omdat in de dracht twee voersoorten kunnen worden verstrekt, hebben wij onze tweefasevoeders ingezet. Binnen vier weken merkte de varkenshouder al dat zijn zeugen fitter in de kraamstal terechtkwamen. Binnen een half jaar ging het aantal gespeende biggen fors omhoog.’
‘Nu, anderhalf jaar later, speent deze ondernemer per zeug gemiddeld bijna vijf biggen per jaar meer. Zo extreem heb ik het nog niet meegemaakt met alleen een voerverandering in de dracht. Maar ook bij hoogproductieve zeugenbedrijven kunnen we met reguliere metingen en voeradvies beter de puntjes op de i zetten, waardoor het bedrijf in de toekomst makkelijker of efficiënter draait.’
Zijn recent nog metingen bij dat vermeerderingsbedrijf gedaan?
‘Ja, en ik kan zeggen dat de spierdikte bij de zeugen zich na anderhalf jaar weer volgens een normaal patroon over een cyclus ontwikkelt. De speklaag is dunner geworden, maar nog steeds iets boven de doelstelling. Zoals gezegd: er blijft altijd wel iets te verbeteren.’
Hangt er een prijskaartje aan de GMI-metingen?
‘Nee, het is een service naar klanten toe en hoort bij ons voeradvies. Standaard volstaat het om één keer per jaar op een zeugenbedrijf de vinger aan de pols te houden. De spier- en spekdiktemetingen in de stal kosten niet veel tijd en ze leveren altijd wat op: een bevestiging dat het op voedingsgebied goed zit of dat er ergens wat moet worden bijgestuurd.’
Energie en eiwit in balans gebracht
Bij een vermeerderingsbedrijf hebben GMI-techniek en voeradvies een boost gegeven aan de technische resultaten. De zeugen bouwden tijdens de dracht een steeds dikkere speklaag op, waardoor ze op het oog goed in conditie leken te zijn. Maar de spierdikte nam na de herstelfase af. Hierdoor zakte de spierlaag tot ver onder het gewenste niveau. Door het voeren van een tweefasevoer in de drachtstal met een energie-eiwitverhouding die voldoet aan de behoefte van de zeugen, is de conditie weer in balans gekomen.
Bekijk meer over:
Lees ook
Meest gelezen
Blogs
Bedrijf in Beeld
Partners


