'De strijd om ruimte'
Het nieuwe kabinet van D66, VVD en CDA stond 23 februari op het bordes bij de koning. Een minderheidskabinet met 66 zetels in de Tweede Kamer. Dat betekent: zoeken naar steun, schuiven met belangen en onderhandelen per dossier. Voor mij raakt dat precies de kern van wat er nu speelt.
De toekomst van Nederland gaat niet alleen over beleid, maar over ruimte. Wie mag welke ruimte gebruiken? Voor wonen, natuur, energie, infrastructuur, recreatie – en ook voor landbouw. De herverdeling is al gaande. De echte vraag is of de varkenshouderij daarin voldoende ruimte krijgt die werkbaar blijft.
Wat ik zie bij ondernemers is geen gebrek aan ambitie. Wat ik ook zie, is dat de fysieke en juridische speelruimte kleiner wordt. Latente stikstofruimte verdwijnt. Welzijnseisen vragen om meer vierkante meters per dier en meer dichte vloer. Tegelijkertijd wordt gestuurd op lagere emissies en emissieplafonds per bedrijf. Dat schuurt.
Meer ruimte per dier betekent vaak meer staloppervlak. Meer oppervlak betekent niet automatisch minder emissie. En ondertussen blijft er onzekerheid over de daadwerkelijke emissiewaarden van systemen. Ondernemers investeren, maar weten niet altijd of de spelregels stabiel blijven.
Hoeveel gebruiksruimte heeft een bedrijf om vandaag te draaien en morgen te ontwikkelen?
Daarnaast werken gemeenten aan nieuwe omgevingsplannen. Bouwblokken worden begrensd, stapelen in twee stallagen is meestal geen optie en in het buitengebied komen er nieuwe functies bij: wonen, zorg, recreatie, bedrijvigheid. Begrijpelijke ontwikkelingen, maar ze beïnvloeden wel direct de gebruiksruimte van bestaande bedrijven.
Daar komt bij dat onder de Omgevingswet gemeenten eigen geurnormen kunnen vaststellen. Het speelveld wordt lokaler en daarmee ook onvoorspelbaarder. Discussies over geur of volksgezondheid zijn zelden puur technisch. Harde data zijn essentieel, maar het sentiment in de omgeving speelt altijd mee. Dat moeten we niet onderschatten.
Nieuwe Beter Leven-criteria
En dan liggen er ook nog de nieuwe criteria van het Beter Leven-keurmerk. Vanaf 2 mei 2026 zijn ze definitief. Uitfasering van couperen van staarten, een meetbaar stalklimaat, grotere oppervlakken per dier, strengere bouwkundige eisen bij nieuw- en verbouw. Veel daarvan is uitlegbaar en past in de maatschappelijke ontwikkeling. Maar in combinatie met stikstofbeperkingen, planologische grenzen en lokale normen ontstaat een complexe puzzel.
2026 wordt daardoor een strategisch jaar. Het moment van vergunningaanvraag, de volgorde van investeringen, een verbouwmoment dat invloed heeft op je maximale grootvee-eenheid. Het zijn keuzes die jarenlang doorwerken.
Toch zie ik perspectief. Juist in het managen van die emissies ligt voor mij een belangrijke sleutel. Niet enkel meer sturen op middelvoorschriften, maar op aantoonbare prestaties. Want de varkenshouder wil wel. Met maatregelen op het erf en in de stal emissies daadwerkelijk beperken en dat onderbouwen met harde, betrouwbare data.
Omgeving kijkt mee
Maar dan moet het systeem daar ook ruimte voor bieden. Meten betekent objectiveren. Objectiveren betekent dat beleid en vergunningverlening worden gebaseerd op feiten. Dat neemt niet weg dat de omgeving meekijkt en meeweegt. Emissie is meetbaar, maar draagvlak blijft mensenwerk.
Uiteindelijk kom ik steeds terug bij dezelfde kernvraag: hoeveel gebruiksruimte heeft een bedrijf om vandaag te draaien en morgen te ontwikkelen? Juridisch, planologisch én maatschappelijk.
Ik merk dat investeringsbeslissingen vaak technisch of financieel worden benaderd. Terwijl minstens zo belangrijk is wat een stap betekent voor je structurele ruimte. Hoe ziet het nieuwe omgevingsplan eruit? Welke ontwikkelingen spelen er rondom je locatie? Waar zit je kwetsbaarheid? En hoe is het contact met je buren? Sentiment is geen juridische term, maar beïnvloedt wel degelijk je speelveld.
Voedselproductie als volwaardige pijler
Met een minderheidskabinet verwacht ik geen snelle, eenduidige koers. Elk dossier vraagt om politieke steun. Dat zorgt voor onzekerheid, maar biedt ook ruimte om het gesprek te voeren over de fundamentele vraag: hoeveel ruimte reserveert Nederland structureel voor voedselproductie? Niet als restfunctie, maar als volwaardige pijler in het buitengebied.
De varkenshouderij zal zich blijven ontwikkelen. Dat hoort nu eenmaal bij ondernemerschap. Maar als we blijven stapelen zonder integraal te kijken naar het totaal, loopt het vast. Dan gaat het niet meer over willen veranderen, maar over kunnen veranderen.
De uitdaging zit in het langetermijndenken, binnen een kortetermijnpolitiek en -omgeving. Ik blijf ervan overtuigd dat er in Nederland plek is voor een toekomstbestendige varkenshouderij. Mits we de ruimte niet alleen verdelen, maar ook bewust reserveren – en presteren.
Gerben Schrijver
Adviseur bij DLV Advies
Bekijk meer over:
Meest gelezen
Blogs
Bedrijf in Beeld
Partners
Stelling
Nieuws van NieuweOogst.nl


