100+gram+biest%3A+3%2C4+kilo+groei
Nieuws
©

100 gram biest: 3,4 kilo groei

Drinkt een big na de geboorte 100 gram extra biest, dan groeit die big tot aan het einde van de vleesvarkensperiode 3,4 kilo extra. Ook daalt de uitval bij een hogere biestopname. Bij lichte biggen is dit effect nog groter, blijkt uit de inleiding van professor Dominiek Maes van de Universiteit Gent op de Denkaday in Voorthuizen. Daarom hebben lichte biggen voorrang nodig bij de verdeling van de beperkte hoeveelheid biest.

De grote effecten van de biestvoorziening op groei en bigvitaliteit komen naar voren uit het recente promotieonderzoek van Ilse Declerck aan de Universiteit Gent. Het is bekend dat de hoeveelheid biest niet toeneemt met de toename van de worpgrootte. Daarom heeft ze onderzocht wat de verschillen zijn in biestopname en welke effecten dat heeft op de latere prestaties. Daartoe heeft ze 1455 biggen van in totaal 100 zeugen op 10 verschillende bedrijven gevolgd. De biestopname is bepaald door de biggen te wegen bij de geboorte en na 24 uur.

De verschillen in biestopname blijken enorm: die varieert van nul tot 899 gram. Waarbij geldt hoe groter de toom, hoe groter de variatie. Gemiddeld was de biestopname 367 gram per big en ligt daarmee zo’n 100 gram boven het minimum van 250 gram per dag. Door de grote variatie zijn er echter veel biggen waarbij de biestopname ver onder het vereiste minimum ligt.

De effecten van de biestopname op de technische resultaten zijn groot, blijkt uit het onderzoek. Als de biestopname stijgt van 250 naar 350 gram, dan groeit een big tot aan spenen 400 gram extra. Na spenen gaat dat positieve effect op de groei gewoon door: de biggen groeien dan 1,3 kilo extra. Daarmee houdt het niet op, ook als vleesvarken groeien ze 1,7 kilo meer.

De biestopname heeft een flink effect op de uitval van de biggen. Voor spenen daalt de uitval van 15 naar 6 procent bij een stijging van de biestopname van 250 naar 350 gram. Bij de biggen die maar 50 gram biest opnemen ligt de uitval op bijna 60 procent. Ook na spenen is de uitval nog 5 procent lager. Waarbij wel wordt aangetekend dat er twee bedrijven waren waar de uitval erg hoog was. In de vleesvarkensfase was de uitval maar 1,5 procent en was er geen verschil meer te merkbaar van de biestopname op de uitval.

DeClerck heeft nog apart gekeken naar de lichte biggen. Ze vergeleek daarbij biggen met een geboortegewicht van onder de 0,95 kilo met biggen boven de 1,27 kilo. Bij de lichte biggen was het effect van een hogere biestopname het grootst. Hoe meer biest die lichte biggen opnemen, hoe groter het voordeel op de groei. Dat was over de hele linie zo: in het kraamhok, na spenen en als vleesvarken. Lichte biggen kunnen bij een hoge biestopname een deel van hun achterstand inhalen. Bovendien heeft biest een nog groter effect op de uitval bij lichte biggen. Een biestopname van minimaal 350 gram is bij lichte biggen gewenst.

De biestproductie van zeugen neemt niet toe met de toomgrootte. Wel zijn maatregelen mogelijk om de biestproductie te beïnvloeden. Uit eerder onderzoek blijkt onder andere dat een goede conditiescore van de zeugen belangrijk is. Voor het werpen moeten de zeugen goed blijven vreten, zodat de negatieve energiebalans zo klein mogelijk blijft.

Blogs

Stelling

Loading

Weer

  • Woensdag
    11° / 9°
    70 %
  • Donderdag
    9° / 3°
    20 %
  • Vrijdag
    9° / 8°
    70 %
Meer weer